Waar blijft de nieuwe Jan Schaefer?

Steeds vaker als ik een bewindspersoon een paar juridisch correcte oneliners in het gezicht van een journalist zie hoesten dan denk ik er denkbeeldig een clowns-hoedje met wat schmink erbij. Het klinkt misschien populistisch, maar ik ben echt he-le-maal klaar met alweer bijna twaalf jaar Rutte en companen. 

Ministers en staatssecretarissen zijn onder zijn beleid meer dan ooit buikspreekpoppen geworden van technocratische ambtenaren die het Kabinet gecalculeerd onder de bus kan gooien al ware het auto-crash dummy’s. In gemasseerd met de bestuurskundige marketingzalf van peperdure adviesbureaus zoals Berenschot en McKinsey weten de Wopkes, Sigrids en Hugo’s van deze wereld elk woordje uiterst precies op een rechtsgeldigheids-weegschaaltje te wegen. Elk leugentje secuur te meten met een geloofwaardigheidsliniaal.

hashtags, keukentafels en promo-dochters

Bewindspersonen zijn altijd al in zekere zin instituties geweest, personificaties van de ministeries die zij leiden. Soms horen zorgvuldige persverklaringen daar nu eenmaal bij, dat begrijp ik ook wel. Maar de nadruk op marketing en beeldvorming, het boetseren van de bewindvoerder in de publieke opinie heeft groteske vormen aangenomen. Zelfs achter persoonlijke karaktertrekjes uit de privélevens van deze mensen zit een branding-strategie.

Wopke Hoekstra de familieman die thuis aan de keukentafel alles overlegt met zijn Liselot; Sigrid Kaag die met hippe sneakers als aanvoerder van een grassroots-beweging (#teamkaag) de harten van progressief Nederland moest veroveren (om over haar documentaire nog maar te zwijgen); en Hugo de Jonge die zijn minderjarige dochter inzette voor sympathiepunten en met Kajsa Ollongren schitterde in de kersteditie van Linda-magazine.

De pijnlijk geforceerde pogingen om deze bewindvoerders een menselijk gezicht te geven staat in schril contrast met de technocratische, bijna dehumaniserende taal die deze mensen uitslaan op de televisie. Tegelijkertijd lijken de “private” en professionele performances ook op elkaar omdat ze van dezelfde tekentafels komen. Vrijwel iedereen heeft dan ook door dat deze imagopoetserij geveinsd is als de pest. De #teamkaag-campagne kostte Sigrid bijna de verkiezingen; de geloofwaardigheid van Wopke als familieman werkte collectief op de lachspieren (een systeemplafond heeft nog meer uitstraling dan die vent); en de foto’s van een stralende Hugo die kerst gaat vieren in goed gezelschap werden gepubliceerd in een keiharde lockdown. Beleid waar hij verantwoordelijk voor was. Dat krijg je als je ongemeende Amerikaanse marketing-tactieken toepast in Nederland. Het werkt niet.

Liegen, verdraaien en ontkennen

Het ergste blijft natuurlijk wel het liegen en het feit dat – wanneer er berouw en excuses worden geëist voor beleidsfalen – de excuses ongemeend zijn. Vorige week was weer zo’n schoolvoorbeeld van oude bestuurscultuur die het kabinet beloofd had om in de ban te doen. Minister de Jonge die grijnzend een box geeft aan partijvoorzitter Heerma nadat hij een motie van wantrouwen overleefde in de Tweede Kamer. Die motie overleefde hij na eerst glashard gelogen te hebben over zijn betrokkenheid in de mondkapjesdeal met Sywert van Lienden. Een dag later had hij zelfs de ballen om in de slachtofferrol te kruipen en te klagen dat hij het zo erg vond dat zijn integriteit zo makkelijk in twijfel werd getrokken. 

Nu moet ik het hem wel nageven. Dit ijzersterke staaltje egoïstische arrogantie was overduidelijk een oprechte relaas van de echte Hugo de Jonge. Hier zat voor de verandering geen spindoctor, persvoorlichter of Berenschotter achter. Het kwam simpelweg niet in de man op dat het misschien passender was om zich nederig op te stellen na een debat dat misschien wel meer ging over het uitblijven van de beloofde bestuurscultuur dan de mondkapjesaffaire zelf. 

In bepaalde zin deed Rutte vorig jaar hetzelfde toen hij het ontslag van zijn vorige kabinet bij de koning had ingediend. Dat ontslag was vanwege het grote falen van zijn kabinetten in de kindertoeslagenaffaire, zo luidde de officiële verklaring. Die verklaring was lariekoek. Als hij het gemeend had, dan had hij zich een aantal weken erna niet opnieuw verkiesbaar gesteld. Onder Rutte’s bewind was deze affaire namelijk ontstaan en als baas van het Kabinet droeg hij de grootste verantwoordelijkheid. Het ontslag van het Kabinet indienen was echter puur een tactiek om de verkiezingsdebatten in de weken daarna te overleven. Rutte had nu immers het boetekleed aangetrokken en kon zo tegen zijn opponenten duidelijk maken dat hij wel degelijk verantwoordelijkheid had genomen voor zijn acties.

Beeld door Kevin DeMeyer

Met de toeslagenaffaire kon hij dus niet meer worden aangevallen in een verkiezingsdebat. Bovendien had Mark nu ingezien dat het totaal anders moest. Een nieuwe bestuurscultuur met minder liegen, achterhouden en verdraaien. Dat hier na de verkiezingen niks van terecht was gekomen bleek wel uit de Omtzigt-affaire en het daaropvolgende debat dat Rutte net aan wist te overleven. Uit de gelekte aantekeningen van informateur Kajsa Ollongren bleek dat de VVD (en dus Rutte) actief uit was op het politiek kaltstellen van toenmalig CDA-Kamerlid, Pieter Omtzigt. Na een breed gesteunde motie van afkeuren trok Rutte, zo kort na de val van zijn Kabinet, echter geen conclusies. Wel bood hij excuses aan en beloofde dit keer echt te werken aan een nieuwe bestuurscultuur. Een jaar later is het wel duidelijk dat die bestuurscultuur er nog steeds niet is en er ook nooit gaat komen. Het is was niet meer dan een handige paraplu tegen de regen van verontwaardiging die op de regeringspartijen neerkwam. Ik durf er dan ook mijn oma om te verwedden dat de “nieuwe bestuurscultuur” niets anders is geweest dan een goed uitgedokterde overlevingsstrategie. Waarschijnlijk uit de doos van een adviesbureau-figuur die voor heel veel geld is ingehuurd om Machiavelliaanse lokvogels uit te broeden voor de bewindslieden. 

Oude bestuurscultuur

Ik zeg niet dat politici nooit is een keer een Machiavelliaanse manoeuvre moeten maken in het mijnenveld dat landsbestuur heet. Maar de argeloze onverschilligheid waarmee het nu gebeurt is belachelijk. Teveel politici hebben van politiek bedrijven een soort visieloze ambacht gemaakt (Stef Blok, Johan Remkes en natuurlijk Mark Rutte) of gebruiken de zichtbaarheid van het Kamerlidmaatschap als een springplank voor een mooie, goed betaalde carrière elders (Pieter Duisenberg, Leendert de Lange). Nog nooit zijn zoveel Kamerleden vroegtijdig gestopt als in de laatste jaren en blijft het me opvallen hoeveel prominente politici en bestuurders kinderen zijn van voormalige politici. Sophie Hermans, Hanke Bruins-Slot, Pieter Heerma, Lilian Marijnissen, ze komen allemaal uit bestuurders-dynastieën. Het zegt misschien niet per se iets over hun motivatie of kunde als bewindspersoon (zo kan ik uit eigen ervaring zeggen dat Bruins Slot een zeer capabele bestuurder is), maar het nepotisme zit me toch wel dwars. Ook de benoeming van Stef Blok als nationaal coördinator sanctie-naleving is weer zo’n typisch voorbeeld. Rutte wil niet iemand hebben die gedreven is om het sanctiebeleid tegen Rusland kracht bij te zetten, maar iemand die hem goed kent en – nog belangrijker – iemand die Rutte goed kent.

Wat me echt dwars zit is het totale gebrek aan affiniteit die deze mensen hebben met de inhoud van hun baan. De switch van Wopke Hoekstra naar Buitenlandse Zaken en Sigrid Kaag naar Financiën is daar zo’n voorbeeld van. Deze switch was louter het resultaat van partij-profilering. D66 had meer zetels dan het CDA en dus koos het de ministerspost voor Financiën, na het premierschap de meest begeerlijke functie in een Kabinet. Maar Kaag doet er weinig moeite voor om haar desinteresse in geldzaken te verbloemen, terwijl Wopke schittert in incompetentie als Minister van Buitenlandse Zaken. Zijn totale gebrek aan kennis over de staat van zaken in het sanctie-debat na de toespraak van Zelensky aan de Tweede Kamer was een waar dieptepunt. Werkelijk op alle fronten slaan onze bewindvoerders flaters. Ik noem maar een Minister van Langdurige Zorg, Conny Helder, die doodleuk het privéadres van Hugo de Jonge opdreunt in een kamerdebat. Zoiets kan misschien gebeuren, maar man man man… Het gebeurt wel erg vaak.

Onder de streep kan ik dan ook niet anders concluderen dan dat de meeste landelijke bestuurders en politici ondermaatse figuren zijn die hun gebrek aan kunde, kennis en charisma compenseren met een leger aan adviseurs dat ingrijpt bij elke scheet die gelaten wordt. Een soort monsters van Frankenstein dus. 

Jan Schaefer

Als ik het McKinseyaanse gegoochel van de Rutte-kabinetten zie dan moet ik vaak denken aan wijlen Staatssecretaris Jan Schaefer. De man achter het Stadsvernieuwingsbeleid uit de jaren ‘70. Ik maak me misschien nu schuldig aan een vroeger-was-alles-beter-sentimentaliteit en populistische drogredenen, maar fuck it. Ik doe het gewoon. De sociaaldemocraat Schaefer belichaamde alles wat de hedendaagse bestuurders missen. Charisma, inhoudelijke kennis, passie voor zijn vak en bovenal: een paar grote bestuurlijke ballen.

Jan Schaefer (rechts), beeld door: Peters, Hans / Anefo

In een tijd van grijze mannen met hoornen brillen en vettige scheidingen was Schaefer met zijn spijkerjasje en bolle buik in de eerste plaats een unieke verschijning. In tegenstelling tot excentrieke politici van vandaag de dag was Schaefers voorkomen echter geen opgepoetst marketing-trucje zoals de excentrieke glimschoentjes van De Jonge dat of de glossy van Gerda Verburg. 

Jan Schaefer was exact zoals hij eruit zag. Een plat Amsterdamse socialist die als banketbakker de politiek was ingerold nadat hij zich in de jaren ‘60 als buurtactivist had verzet tegen grootschalige sloop in de Amsterdamse Pijp. Het waren de hoogtijdagen van grootschalige bouwprojecten en moderniseringsbeleid. Bestuurders wilden de oude stadscentra het liefst omvormen tot kantoorpanden, parkeergarages en vierbaanswegen. In de ogen van bestuurders, architecten, projectontwikkelaars en ambtenaren was de stad niet langer een plek om te wonen. Dat moesten mensen maar gaan doen in de generieke hoogbouwwijken die om de steden heen werden gebouwd. Bijvoorbeeld de Bijlmer. 

Schaefer leidde het verzet tegen de kille, dehumaniserende wijze waarop hele woonwijken werden platgewalst. Veel mensen wilden helemaal niet weg uit buurten die misschien oud en krakkemikkig waren, maar wel voelden als huis en haard. Schaefer begreep dit en maakte zich hard voor behoud en herstel in plaats van sanering en nieuwbouw elders.

Zijn activisme leverde hem in 1971 een Kamerzetel op en in 1973 werd Schaefer Staatssecretaris van Volkshuisvesting namens de PvdA. Onder hem veranderde het Nederlandse woningbeleid radicaal. Dankzij hem zijn veel historische binnensteden niet alleen bespaard gebleven voor grootschalige sloop, maar werden deze ook grondig opgeknapt. Als socialist in hart en nieren zorgde hij er bovendien voor dat lokale bewoners inspraak hadden op het woningbeleid van een buurt. Opdat zij hun buurten zelf konden inrichten. Als bewoners niet goed vertegenwoordigd waren in projectgroepen dan kwam er dus ook geen geld uit Den Haag. Zo simpel was het. Waren er toch misstanden? Dan kwam Schaefer hoogstpersoonlijk zelf even langs en sleurde hij wethouders mee de wijk in. Dan dwong hij ze om in gesprek te gaan met bewoners. Dit soort doortastendheid leidde ertoe dat zijn stadsvernieuwingsbeleid met succes van de grond kwam. Ook na 1977, toen hij wethouder werd in Amsterdam, boekte hij resultaten. Zo werden er in 1982 meer dan tienduizend nieuwe woningen gerealiseerd.

Is dit beleid of is hierover nagedacht?

Het heeft natuurlijk geen zin om de jaren ‘70 en ‘80 met de huidige tijd te vergelijken maar van Schaefers houding als bestuurder kunnen veel hedendaagse politici heel veel leren. Hij wond er geen doekjes om en kan gezien worden als het archetype van de uitspraak: zeggen waar het op staat. Deze oprechte directheid leverde hem niet altijd vrienden op. Zo noemde hij het steeds groter wordende aandeel hoogopgeleiden in zijn partij eens “geparfumeerde drollen.” Ook medebestuurders behandelde hij niet zachtzinnig als hij het oneens was met hun aanpak. Dan vroeg hij “is dit beleid of is hierover nagedacht?”

Ironisch genoeg leidde zijn no-nonsense attitude ertoe dat er meer iconische partij-slogans uit Schaefer kwamen dan uit alle regeringspartijen in de afgelopen dertig jaar. Eén van zijn uitspraken – “in geouwehoer kun je niet wonen” – werd bijvoorbeeld de bekendste campagneslogan van de PvdA. Dat is wel even anders dan “nu doorpakken”, de uiterst hilarische lachspier-spanner van het CDA van vorig jaar.

Jan Schaefer, beeld door: Pereira, Fernando / Anefo

Schaefer, overleden in 1994, werd al voor zijn dood gezien als een legendarisch politicus. Een unieke bestuurder die zich niets aantrok van de politieke mores, maar vol inzette op de inhoud. Deze onversneden toewijding is exact de reden waarom Schaefer zo geliefd was onder het electoraat en waarom zijn imago en uitspraken zo legendarisch zijn geworden. Het kwam niet uit de molen van adviesbureaus, persvoorlichters of juridische overwegingen, maar uit de man zelf. Hij presenteerde zich zoals hij daadwerkelijk was. Ook als hij fouten maakte gaf hij deze toe en zorgde hij deze werden gecorrigeerd. “Het was een bestuurder die bergen kon verzetten” aldus wijlen burgemeester van Amsterdam, Ed van Thijn.

Schaefer was zeker niet perfect en het heeft geen zin om sentimenteel te gaan zitten doen over een politicus die al bijna dertig jaar niet meer leeft. Maar het stukje eerlijkheid, oprechtheid, authenticiteit en inhoudelijke gedrevenheid zijn kwaliteiten die veel hedendaagse bestuurders vandaag de dag missen of gewoon niet toelaten bij zichzelf. Het zijn de basisingrediënten voor de nieuwe bestuurscultuur waar de maatschappij zo wanhopig naar op zoek is. Maar als politieke partijen en ministeries hun Kamerleden en bestuurders kunstmatig blijven kneden tot buikspreekpoppen van wetboeken, partijbelangen en de Rutte doctrine dan wordt het nooit wat met die nieuwe bestuurscultuur. Laat het micromanagen los en vertrouw meer op je mensen. Leer van iemand zoals Jan Schaefer zou ik zeggen. 

Leave a Reply

Your email address will not be published.